Conferentie Monarchieën in de EU

[imgright]jackjan_small (1).jpg[/imgright]
‘Beatrix heeft hier gestudeerd, evenals Willem Alexander’ en de conferentie vindt plaats aan ‘een universiteit die begon met een gift van Willem van Oranje’, aldus de voorzitter van de Leidse universiteit, Paul van der HeijdenPaul van der Heijden. Daarmee leek hij de deelnemers aan het congres over de betekenis van de monarchie in relatie tot het Europese eenwordingsproces op een paradox te wijzen. Het is inderdaad niet gespeend van een zekere ironie dat de conformistische, bij vlagen hagiografische, conferentie, gewijd aan het 25-jarig regeringsjubileum van Beatrix in 2005, in Groningen plaatsvond terwijl de meer kritische benadering van het fenomeen van de laatste vorstenhuizen in een veranderend Europa, de insteek van de conferentie EU Monarchies in perspective, juist in Leiden zijn plek vindt. Juist aan de universiteit die niet alleen verbonden is met de eredoctoraten voor de Oranjes (als in de Singerreclame; moeder, dochter en straks ook zoon) maar die ook als een kloek waakt over de afstudeerscriptie van de kroonprins. De universiteit waarvan een medewerker van de juridische faculteit zei eigenlijk wel blij te zijn met het feit dat Willem Alexander, in weerwil van de traditie, besloten had geschiedenis te gaan studeren omdat nu hiermee onomstotelijk was komen vast te staan dat rechten niet de makkelijkste studie was. Aan die universiteit dus toog op vrijdag 19 oktober een zestigtal wetenschappers en republikeinen aan het werk om de stand van zaken rond de overgebleven koningen en koninginnen in kaart te brengen. Was er sprake van de laatste stuiptrekkingen van een zieltogend en tot het bot versleten systeem? Of moest er gedacht worden aan een krachtig en onontbeerlijk symbool van nationale identiteit in een naar assimilatie neigende Europese eenheid?

Ulli Jessurun ‘d Oliveira
Ulli Jessurun ‘d Oliveira – lid van het RG en ridder in de orde van Oranje Nassau, zoals hij door Van der Heijden werd geïntroduceerd, beet als dagvoorzitter het spits af. De verhoudingen keren zich in ongunstige zin voor de monarchieën. In ’57 bij de start van de EEG waren drie van de zes oprichters een monarchie. Thans gaat het om zeven van de zevenentwintig lidstaten. De soevereiniteit wordt daarbinnen bovendien als minder zwaarwegend ervaren. En zonder soevereiniteit is er weinig reden om erg te hangen aan de belichaming van die hoogste macht. Je ziet dit als het ware weerspiegeld, aldus d’Oliveira, in de portemonee. Een inventarisatie van zijn muntgeld die ochtend (zes keer Beatrix, drie keer Albert, zeven keer Marianne) toont een erosie, een vervaging van de regalia, waar overigens niet alleen de EU debet aan is. Het is een proces dat al veel eerder inzette en dat het helderst in beeld komt bij een vergelijking van de kaart van Europa rond de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw, toen het nog wemelde van koning- en keizerrijken, met de situatie een eeuw later waar, zoals al gezegd, er van al die rijken, Vaticaan, Andorra en Monaco even niet meegerekend, er nog welgeteld zeven over zijn gebleven.

Tom Eijsbouts
Over de richting waarin deze overgebleven vorstenhuizen zich zouden kunnen bewegen, althans waarin Nederlandse koningshuis dat zou kunnen doen, ging de lezing van Tom Eijsbouts, (Europees constitutioneel recht, Universiteit van Amsterdam). Zoals vogels de storm voorvoelen, zo voorvoelen monarchen een bedreiging van hun soevereiniteit. In de hoedanigheid van Beatrix (voor de mensen die pdf met de beelden van de conferentie op deze pagina bekijken; het kroontje uit de feestartikelenwinkel staat dus ergens voor!) weidde hij vervolgens uit over de verschillende denkbare argumentatiepatronen. Het sociologische patroon bijvoorbeeld, waarin het conflict tussen de gebroeders De Witt en Stadhouder Willem III een plaats kreeg, alsmede Maxima’s WRR-lezing en de relativering dan wel kleinering van de vrees om identiteitsverlies.

Henk te Velde
Sociologisch zou ook de waarneming genoemd kunnen worden waarmee Henk te Velde, (geschiedenis Universiteit Leiden) zijn betoog begon. Hij haalde herinneringen op aan zijn optreden op de eerder genoemde Groningse conferentie waar hij getuige was van de vreemde verbroederende werking die de aanwezigheid van de majesteit heeft op vrijwel allen. In de anti-chambre voor zijn optreden merkte hij, tot zijn verbazing, door een ex-minister van buitenlandse zaken met zijn voornaam te worden aangesproken. Hij benadrukte ook hoe moeilijk het is om als wetenschapper met een zekere distantie onderzoek naar het fenomeen monarchie te verrichten. Het veld is verdeeld tussen onderzoekers met een kritische benadering en supporters van het systeem. De kwalificatie van Beatrix als “bondgenoot in de strijd tegen het post-Fortuyn populisme” die de koningin in Groningen ten deel viel, levert een mooi voorbeeld. Wetenschappelijke distantie dus is het devies. En daartoe wordt een verdeling gemaakt, een periodisering waarbij opvallend is hoe, per periode, de positie van de monarch verschuift van een oppositionele rol tegenover de opkomende burgerij naar een houding die gekenmerkt wordt door constitutionele inbedding en een verstandhouding ten opzichte van het parlement. Die overgang is bevochten. De politici die in het midden van de 19e eeuw in een constitutionele machtsstrijd verwikkeld waren hebben de versterking van hun positie niet in de schoot geworpen gekregen. En de spanning tussen de eisen van een parlementaire democratie en monarchale macht heeft zich ook nadien doen gelden. Wilhelmina’s moeite met het parlement en haar streven naar een klein machtscentrum rond de kroon is legendarisch. De waardering voor haar rol in de oorlog verhindert een al te kritische evaluatie op dit punt. Een politicus als Drees stelde dat monarchieën als de Britse en de Nederlandse democratischer zijn dan Frankrijk. Een beeld dat bij sympathisanten van de monarchie veelvuldig wordt gebruikt. Maar eigenlijk, aldus Te Velde, is in de laatste decennia elke monarch, met uitzondering van Juan Carlos (zijn rol bij het onderdrukken van de putsch in ’81), irrelevant geworden.

Adam Tomkins
Adam Tomkins (publiek recht Universiteit van Glasgow, bracht een nadrukkelijker politieke dimensie in het spel. Elisabeth II is, in tegenspraak tot wat sommige supporters van het bestel ons willen doen geloven, wel degelijk machtig. Het gaat daarbij zowel om de constitutioneel vastgelegde machtsbasis als om de invloed. Benoeming van de minister president, ontslag van de regering, ontbinding van het parlement en de weigering een wet te ondertekenen, – het maakt allemaal deel uit van het arsenaal van mogelijkheden. Het gaat om zeer vergaande bevoegdheden die in belangrijke mate tot het staatsrechtelijke gewoonterecht behoren. En deze macht wordt vervolgens gedeeld met de regering, reden waarom regeringsleiders, Blair was daar een voorbeeld van, zo gericht zijn op behoud van de status quo. De prerogatieven van de kroon zijn aldus de prerogatieven – denk aan benoemingen, het verlenen van titels, het inzetten van het leger – van de regering. Het parlement heeft dit nooit gelegitimeerd, anders zouden er checks and balances in de besluitvormingsprocessen zijn ingebouwd. Nu kon, onder de werking van dat koninklijk prerogatief, Thatcher ongehinderd de vakbonden muilkorven en Blair zonder veel tegenspraak Engelse troepen naar Irak sturen. De roep om beëindiging van de monarchale macht is dus niets minder dan een roep om de uitvoerende macht te onderwerpen aan democratische controle.

Joachim Nergelius
De Zweedse situatie werd belicht door Joachim Nergelius, hoogleraar in Örebro, Zweden. De opening stelde de onoverbrugbare kloof aan de orde tussen het egalitaristisch ingestelde Zweedse volk en het elitairistische van de monarchie. Een tegenstelling die nooit op de spits is gedreven en die, van zijn laatste revolutionaire momentum is ontdaan in het historische compromis uit 1971 waarin het voortbestaan van de Zweedse monarchie tot non-issue werd uitgeroepen. Dat betekent niet dat de Zweedse vorst altijd zo onomstreden is als Jeroen Snel het wil doen voorkomen. Zo veroorloofde de koning het zich in 2004 om een stevig compliment te maken aan de sultan van Brunei voor de vriendelijke en open uitstraling die hij zijn land gegeven had. Maar de commotie die dit opriep werd een jaar later met een goedgevallen toespraak ter herdenking van de Tsunami-slachtoffers goed gemaakt. In het Zweedse parlement gaat het om hooguit 20 republikeinen, de steun voor het vorstenhuis is blijkens opiniepeilingen 70%, dus waar hebben we het over, lijkt Nergelius te willen stellen, daarbij een antwoord op de eerder geconstateerde tegenstrijdigheid in het midden latend.

Mark van den Wijngaert
Mark van den Wijngaert (moderne geschiedenis, Katholieke Universiteit Brussel) had met de Belgische constitutionele problemen op de achtergrond een hoop uit te leggen. De rol van de koning in het formatieproces is bescheiden geweest, zo stelde hij en hij besteedde vervolgens aandacht aan een paar highlights van het Belgische koningsschap zoals de rol van Leopold in Congo, die van Albert I bij het referendum in ’50 en die van Boudewijn bij de crisis rond de abortuswetgeving in ’90.

<strong>Jan Willem Sap</strong>” title=”” /><br />De historische vogelvlucht was ook de aanpak die <strong>Jan Willem Sap</strong> verkoos (Europees en constitutioneel recht, Vrije Universiteit Amsterdam). 1815 en 1848 passeerden de revue, evenals de Luxemburgse kwestie. Maar hij kreeg zijn gehoor pas echt in beweging toen hij een lans brak voor het ‘meeleven met geboorte, huwelijk en dood’ als serieus te nemen maatschappelijke voordelen die een samenleving kent die met een vorstenhuis gezegend is. Willem Alexander die in het ziekenhuis zijn dochter voor de camera’s houdt is zo’n amper te overschatten moment, zo hield de spreker een morrend publiek voor. De band met de familie zit diep, zo ging Sap verder, we hebben het hier over de Oranjes die hun leven gegeven hebben voor de zaak, wat in het Wilhelmus, een gebed, in ‘mijn schild en de getrouwe’ tot uiting komt. Het republikeinse deel van het gehoor is dan compleet verbijsterd. Is dit serieus of is dit een provocatie? Een enkeling verlaat de zaal en slaat de deur met een klap achter zich dicht.</p>
<p>Tomkins tenslotte zorgt voor balsem op de gekrenkte ziel door in de vragenronde nog eens te wijzen op het feit dat de vergelijking tussen een republiek en een monarchie vaak met verkeerde voorbeelden wordt aangekleed. In een heldere vergelijking op uitgangspunten, de geschiedenis laat dat onomwonden zien, is de monarchie volledig onverenigbaar met een democratie.</p>
        </div>


        <footer>
                        
            <div class=

Vorig artikelDen Uyl lacht in de olmen
Volgend artikelZorreguieta bij doop Ariane